Peter De Wilde (Onroerend Erfgoed Vlaanderen): "Erfgoed dat niet leeft, sterft"
22 september 2026 14:05
Peter De Wilde combineerde drieënhalf jaar lang de leiding van de agentschappen Onroerend Erfgoed en Toerisme Vlaanderen, tot hij deze zomer volledig opgebrand raakte en met ziekteverlof moest. Een ontmoeting met een tachtigjarige vrijwilliger tijdens een bezoek aan Highgate Cemetery in Londen werkte voor hem als een keerpunt: de passie van die man deed hem beseffen dat hij zelf terug perspectief nodig had, los van het vaak grimmige samenspel van politiek, administratie en middenveld waarin hij al decennia actief is. Sinds eind augustus is hij opnieuw aan de slag, deels vanuit het kasteel van Wissekerke in Bazel, waar zijn familie al eeuwenlang woont en waar hij de heemkundige kring en de bijhorende stichting voorzit.
© Sebastien Steveniers
Erfgoed moet functioneel blijven
Voor De Wilde staat vast dat erfgoedbeleid alleen overeind blijft als het aansluit bij actuele maatschappelijke noden. Hij haalt het voorbeeld aan van een school die een nieuwe turnzaal bouwt terwijl een kerk ernaast leegstaat: van de 1.700 erkende parochiekerken in Vlaanderen zoeken er zowat 600 een nieuwe invulling, en volgens hem is de link met noden zoals onderwijs, kinderopvang of huisvesting evident. Ook bij de zonnepanelen op 't Steen in Antwerpen, waartoe hij voormalig minister Matthias Diependaele naar eigen zeggen mee aanzette, ziet hij geen tegenstelling tussen bescherming en vernieuwing: een gerestaureerd gebouw met bijvoorbeeld dubbel glas verliest daardoor niet zijn waarde.
Een royaal maar onevenwichtig beschermingsbeleid
Vlaanderen telt intussen 13.675 beschermde monumenten, landschappen, archeologische sites en dorpsgezichten, plus zo'n 70.000 gebouwen die als waardevol erfgoed in de inventaris staan — internationaal gezien een ruim aanbod, stelt De Wilde. Het probleem is dat veel van die panden verkommeren omdat er geen draagvlak of bestemming voor is. Hij wijt dat deels aan een beschermingsbeleid dat vaak reactief ontstond, als snelle noodgreep wanneer een gebouw dreigde te verdwijnen, en waarbij opeenvolgende voogdijministers soms ook een inhaalbeweging maakten voor hun eigen regio. Daarnaast pleit hij voor een nauwere band tussen erfgoed- en natuurbeleid: klimaatverandering, met afwisselend te natte en te droge bodems, tast het archeologische bodemarchief aan, terwijl daar in de huidige klimaatplannen amper aandacht voor is. Hij wil dat onderwerp binnenkort aankaarten bij het Centrum voor Risicoanalyse van Klimaatverandering.
Ieper, Villa Tournesol en Oosteroever
Over de heropgegraven restanten van de burcht van Ieper, die wegens geldgebrek opnieuw werden begraven, geeft De Wilde grotendeels gelijk aan minister Ben Weyts. Als mediëvist betreurt hij de beslissing persoonlijk, maar als voormalig hoofd van Toerisme Vlaanderen wijst hij erop dat bezoekers gemiddeld amper 1,8 bezienswaardigheden per uitstap afleggen en dat Ieper met de Last Post, het militair kerkhof en het In Flanders Fields-museum al een compleet aanbod heeft. Hij vindt wel dat de communicatie erover beter had gekund, en benadrukt dat de gebruikte bewaartechnieken de site voor toekomstige generaties veiligstellen. Over de ophef rond Villa Tournesol in De Panne en Oosteroever in Oostende zegt hij begrip te hebben voor de emoties, maar noemt het eerste een uitwas van het beschermingsbeleid en het tweede een geval van verkeerd aangepakte noodbescherming. Hij verzet zich tegen de suggestie dat de verwaarlozing van Oosteroever bewust georganiseerd zou zijn, al erkent hij dat Vlaanderen achteloos omspringt met zijn open ruimte.
Bescherming tot 1970, in plaats van 1950
De Wilde steunt het plan van de Vlaamse regering om de tijdsgrens voor erfgoedbescherming op te trekken van 1950 naar 1970. Net het jongste erfgoed, zoals modernistische woningen uit de jaren zestig, verdwijnt volgens hem het snelst omdat het nog niet als waardevol wordt erkend. Hij vergelijkt de volledige erfgoedcollectie van Vlaanderen met een verzameling waarvan je niet elk exemplaar per se moet bewaren, zolang het geheel representatief blijft.
Identiteit, politiek en een ontbrekende visie
De Wilde combineert een verleden op CD&V-kabinetten en het voorzitterschap van het Davidsfonds met een uitgesproken linkse en flamingantische inslag, en ziet dat niet als tegenstrijdig: hij noemt zichzelf zowel een kind van de arbeidersbeweging als openlijk homoseksueel. Toen hij bij het Davidsfonds aantrad, vond hij de vereniging haar Vlaamse en christelijke identiteit kwijt en heeft hij ervoor gezorgd dat die weer explicieter in de statuten kwam. Zijn kijk op Vlaamse identiteit is inclusief: hij verwijst naar zijn Syrische kapper, die na twee jaar al goed Nederlands spreekt en zich in Bazel settelt, als een even volwaardige Vlaming als families die er al eeuwen wonen.
Op beleidsvlak zegt De Wilde volledig achter het primaat van de politiek te staan, maar hij mist een onderliggende ideologische visie. Doordat het Vlaams Parlement vooral bevolkt wordt door lokale bestuurders op zoek naar praktische oplossingen, ontbreekt volgens hem een breder verhaal, waardoor ambtenaren die leemte zelf moeten opvullen — iets wat hij een democratisch deficit noemt. Over de N-VA, die al twintig jaar de bevoegdheid erfgoed beheert, wil hij als ambtenaar geen rechtstreekse kritiek geven op de regering, maar herhaalt hij wel zijn stelling als Davidsfonds-voorzitter: de partij heeft het culturele middenveld te veel losgelaten, waardoor de balans tussen Vlaamse welvaart en Vlaamse cultuur en identiteit zoek raakt.